‘Het Verjaardagsfeest’ door het Nationale Toneel

Geen diepere lagen in Kennedy’s verjaardagsfeest
door: Anneriek de Jong

Een naargeestige kamer hoeft niet volgepropt te zijn met aftandse prullen. Om een onbehaaglijke sfeer op te roepen volstaan drie met schrootjes betimmerde muren, twee plastic krukjes en één karakterloze bank. Ongezelligheid: daar weet Susanne Kennedy wel raad mee. Hedda Gabler, Parasieten en Over dieren waren stuk voor stuk opvoeringen die bij het publiek een ongemakkelijk gevoel opriepen. Zo is het ook weer bij Het Verjaardagsfeest. De kamer met de schrootjesmuren komt uit die voorstelling en van een feest, een vrolijk samenzijn, is behalve in de titel geen sprake.

Over akelige dingen als bedreigende machten heeft auteur Harold Pinter het, over vreemde indringers die ineens in de kamer staan. Het is de kamer van het echtpaar Meg en Petey, de uitbaters van een pension. Het is ook de kamer waarin Meg haar enige gast verwent. Stanley, een niet meer echt jonge jongeman (Xander van Vledder), heeft zich in het pension verschanst. Met de boze buitenwereld wil hij niets meer te maken hebben. Geen wonder dat hij de twee indringers eerst probeert te verjagen. Maar de heren McCann en Goldberg (Vincent Linthorst en Pieter van der Sman) hebben het op hem voorzien. Ze onderwerpen hem aan een wreed kruisverhoor en dwingen hem tot het bijwonen van zijn verjaardagsfeest, al is Stanley volgens eigen zeggen helemaal niet jarig.

Niet alleen die vreemde mannen willen iets van hem. Ook een vrouw dringt zich aan hem op. Even zorgzaam als verlangend sluipt Meg om hem heen; haar ‘kleine jongen’ moet vooral afhankelijk van haar blijven. Die dommige, smachtende hospita wordt gespeeld door Ariane Schluter, aan de buitenkant het tegendeel van het lelijke oudje dat Pinter voor ogen stond. Kennedy leidt de aandacht van Schluters schoonheid af door haar een microfoon te geven die elk geluid dat zij maakt keihard versterkt. Denkt Meg na, dan hoor je haar zuchten en steunen, alsof haar hersenen een krakend machientje zijn. En als de oude Meg beweegt mislukt steeds de sierlijkheid waar zij zo hard op oefent. Ze deint, ze wankelt, ze vindt geen evenwicht.

De opvallende lichaamstaal is in alle regies van Susanne Kennedy een sterk stijlkenmerk. In Over dieren, met als onderwerp prostitutie, voerden de acteurs en actrices een uren durende pornografische paringsdans uit. Iets daarvan is ook in Het Verjaardagsfeest terechtgekomen. De extreem naar achteren gestoken billen van Meg en van het buurmeisje Lulu moeten de gast in het pension behagen. De bewegingen van de indringers zijn vooral abrupt. Hoewel de deur van glas is komen ze plotseling op. Ze verdwijnen al even flitsend. Een rolluik suist omlaag, een donkerslag treft het podium als een zwarte bliksem en wanneer het rolluik weer omhoog is en het licht weer aan zijn de heren hun slachtoffer nog wat dichter genaderd.

Dat slachtoffer staat er na zijn vergeefse zelfverdediging totaal verstijfd bij. Hulpeloos ziet Stanley toe hoe een van de heren zijn bril in tweeën breekt. Als hij toch weer even beweegt lijkt hij op een kat in het nauw die rare sprongen maakt. Zijn hospita probeert hij te wurgen. Het buurmeisje neemt hij ruw. Maar dan weten we al niet meer of we ons in zijn nachtmerrie bevinden of in de werkelijkheid.

Werkelijkheid is sowieso een dubieus begrip bij Harold Pinter. Omdat zijn personages onwetend worden gehouden, door anonieme machten, kunnen zij de wereld om hen heen maar heel beperkt waarnemen. Dat leidt automatisch tot een vertekening van de realiteit, tot verwrongen beelden. Zelfs de toch door de machthebbers gestuurde indringers kennen het waarom van hun opdracht niet. Het maakt de situatie absurd en de figuren erin grotesk.

Ja, we lachen om hun domheid, om hun kromme, tot frases gereduceerde taal. Maar we lachen beschaamd. Want deze houterig sprekende en mechanisch bewegende wezens bezitten, anders dan in Over dieren, nog een restje menselijkheid, dat moet worden beschermd tegen leedvermaak en alle andere soorten gemeenheid. Zouden we voluit lachen, dan zouden we geen haar beter zijn dan Stanleys pijnigers. Lachen we niet, dan zijn we wellicht nog in orde. Maar het is moeilijk om helemaal niet te lachen en zo trekt Pinter onze onberispelijke moraal in twijfel.

Alles is onzeker, alleen de angst regeert. Iedereen tast in het duister; het spelletje blindemannetje dat de personages op het feest spelen slaat terug op hun staat van zijn. Bij zo’n wereldbeeld past geen alwetende schrijver. En geen uitleggerige regisseur. Kennedy, toch al geen fan van psychologisch realisme, naturalisme of ander ouderwets gedoe, beseft dat heel goed. Ze laat maar één duiding op het stuk los en dat is het verlies van zekerheden. Andere duidingen komen in haar enscenering voor het Nationale Toneel niet aan de orde.

Het thema van de dood bijvoorbeeld laat zij liggen. In het stuk duikt het beeld op van een griezelige bestelauto, een soort lijkwagen. Bij Kennedy doet die bestelauto er niet toe. Net zomin als het nette pak. Dat pak is bij Pinter heel belangrijk. Stanley moet het aan van de twee heren. Pas als hij in het pak is gestoken voeren zij hem af. Maar wat doet Kennedy? Zij kleedt Stanley uit! Waarmee ook het thema van de kunstenaar versus de burgerman onaangeroerd blijft. Stanley is een kunstenaarstype, hij was ooit pianist. Nergens schrikt hij zo hard voor terug als voor de burgerlijke maatschappij. Maar juist daar moet hij van de heren heen. Tenminste, wanneer je het pak beschouwt als gedwongen aanpassing, waar veel voor valt te zeggen. Kennedy’s  Stanley hoeft zich niet aan te passen. Hij verschijnt poedelnaakt achter de glazen deur. Dan voeren de heren hem af. Naar ‘Monti’, zeggen ze. Wat? Gaat Stan naar een inrichting? Geen goed idee van Kennedy, want daar zou hij zich opnieuw kunnen verschansen, terwijl zijn straf juist uit re-integratie bestaat.

Een paar diepere lagen van Pinters klassieker uit 1958 heeft Kennedy dus niet aangeboord. Ze bedacht ook een erg raar slot. Een toegift, na het derde en laatste bedrijf. Een akelige scène doet ze nog eens over. Met dubbelgangers, die wel gein maar geen betekenis aan het stuk toevoegen. Wat zou het mooi zijn geweest als Kennedy gewoon was gestopt aan het eind van dat derde bedrijf, bij de verzaligde verzuchting van Meg dat zij op het feest ‘de koningin van het bal’ was! Met tragisch zelfbedrog zou de voorstelling dan zijn geëindigd. Wat precies goed zou zijn, want Pinters onzekere wezens klampen zich aan illusies vast en het theater speelt ermee, met waarheid en leugen.

Susanne Kennedy (1977) is al erg stijlvast en ze heeft veel durf. De dwaze lichaamstaal, de rolluiken, de donkerslagen en de versterkte geluiden: het zijn allemaal prima vondsten. Maar aan de volle rijkdom van Pinters kale teksten is ze nog niet toe.

Toneel/ Het Verjaardagsfeest door het Nationale Toneel / regie Susanne Kennedy / 18 mei, Den Haag / nog te zien t/m 18 juni

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Toneel en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s