Festival Cement 2011

Libelle-theater op Cement
door: Oscar Kocken

In de wandelgangen van de Maastrichtse Timmerfabriek werd het weer duidelijk: voor veel net afgestudeerde makers lijkt het theatercircuit een haast onneembare vesting. Zij kennen immers nog nauwelijks programmeurs en de programmeurs kennen hen nog niet. En hebben ze eindelijk contact gelegd en proberen ze hun eerste voorstelling aan de man te brengen, dan krijgen ze niet zelden het voorbehoud te horen dat men hen graag éérst ergens anders ziet. Een patstelling die precies het belang onderstreept van een festival als Cement. Tijdens een zevendaagse showcase tonen studenten en net afgestudeerde theatermakers hier hun eerste werk, grotendeels voor een vakpubliek, opdat zij kunnen kennismaken met collega’s en (festival)programmeurs en kans maken te worden opgepikt om mee te draaien in het reguliere circuit.

Dat uitgangspunt maakt echter wel dat de context nog meer dan anders van groot belang is, zeker nu de aanbieders zich uit strategische overwegingen meer en meer op ‘gewoon publiek’ richten. Aangezien het programma in het ideale geval wordt bevolkt door volslagen onbekenden zijn tekst en uitleg gewenst: wie is de maker, waar komt hij of zij vandaan, wat beweegt hem of haar en wat was de artistieke motivatie van de festivalorganisatie om deze maker onder de aandacht te brengen? Maar helaas, het is juist die informatie waaraan het deze editie meer dan ooit ontbrak. Nagesprekken waren afgeschaft en ook het programmaboekje bood weinig soelaas. Door de bijzonder summiere teksten bleef voor de toevallige bezoeker zelfs de doelstelling van het festival onduidelijk, het voorwoord van de artistiek coördinator had wegens nietszeggendheid evengoed afwezig kunnen blijven en ook van veel programmabeschrijvingen viel weinig chocola te maken. Er stond uiteraard netjes vermeld waarover de voorstellingen gingen, maar juist bij een zelfverklaard makersfestival zou je toch mogen verwachten dat de makers met naam en functie worden genoemd en dat de lezer iets verneemt over de achtergrond van deze vermoede talenten. Maar niets daarvan. Zo er al credits werden genoemd, dan betrof het de betrokken productiehuizen. En zo leek het niet zozeer een makersfestival als wel een productiehuizenfestival.

Het gebrek aan context maakte ook dat de samenhang van het programma buitengewoon willekeurig leek. Zo bleef het een groot vraagteken waarom een theatergroep als Space, opgericht in 2004, en performer Cees Krijnen, met een staat van dienst van ruim vijftien jaar, een plek in het festival hadden gekregen. Zouden zij in het festival staan om als inspiratiebron te dienen voor hun net afgestudeerde collega’s? Zeker in het geval van laatstgenoemde mag je hopen van niet. Diens geënsceneerde vernissage van een expositie riep herinneringen op aan Dertig minuten van Arjan Ederveen en de cultivering van de oninteressantie van Wim T. Schippers, maar deze uitvoering was behalve onorigineel vooral buitengewoon slordig. Om Schippers te parafraseren: als je er met de pet naar gooit, zorg dan op z’n minst dat het ráák is.

Wellicht was het andersom bedoeld en moesten juist de jonge makers de oude rotten inspireren. In dat geval valt te hopen dat zij een kijkje hebben genomen bij Sadettin Kirmiziyuz. In zijn tweede solovoorstelling De vader, de zoon en het heilige feest wist hij zijn persoonlijke zoektocht niet alleen universeel te maken, hij gaf bovendien een aangrijpend inzicht in de worsteling van de niet-westerse immigrant in een islam-onvriendelijk Nederland. Overtuigend schakelde hij tussen zijn eigen visie – die van een naar eigen zeggen ‘agnostische geassimileerde immigrantenzoon’ – en de belevingswereld van zijn religieuze vader die als gastarbeider naar Nederland kwam. Deze voorstelling toont hoe persoonlijke noodzaak hand in hand kan gaan met maatschappelijke relevantie en verdient het door een zo groot mogelijk publiek te worden gezien.

Hetzelfde geldt voor Fobbit van het Vlaamse gezelschap Steigeisen. In zijn enscenering van het zeer actuele vraagstuk over het al dan niet uitzenden van soldaten naar oorlogsgebieden maakte het dankbaar gebruik van de militaire techniek van shock and awe. De loeiharde explosies bij aanvang en een continu risico op herhaling maakten dat het publiek gespannen als een veer het verhaal absorbeerde en werd meegevoerd door de soldaat die zowel zijn motivatie als zijn frustratie prijsgaf. Eigen vooroordelen werden weggeblazen, een nieuwe zienswijze kwam daarvoor in de plaats.

Beide voorstellingen lieten theatermakers zien die bewezen meer van de wereld te hebben gezien dan uitsluitend hun eigen bovenkamer. Zij namen hun eigen fascinatie weliswaar als uitgangspunt, maar bleven daar niet in steken. Dat bleek voor veel generatiegenoten voorlopig nog te hoog gegrepen. Veel makers grossierden in zelfonderzoek en dat leverde een opvallend grote verzameling voorstellingen op met vrouwelijkheid als hoofdthema. Moederschap blijkt een prangende kwestie bij deze generatie, om nog maar te zwijgen over de vrouwelijke seksualiteit. Dat leidde helaas in veel gevallen tot licht verteerbare, weinig verdiepende, tamelijk letterlijke verhalen vol persoonlijke hartenkreten, die – dat dan weer wel – zeer vakmatig werden verteld. Netjes binnen de lijntjes gekleurd, maar zelden met scherpe randjes. Libelle-theater, zo werd her en der gefluisterd.

Welkome uitzonderingen hierop vormden het choreografenduo LaLa, dat met hetzelfde thema wel degelijk spannende fysieke en morele grenzen durfde op te zoeken, en Catoke Kramer, die absoluut lef toonde met een tamelijk publieksonvriendelijk onderzoek met vijf tienermeisjes. Naar het schijnt vielen bij haar de meeste weglopers te turven, maar zij heeft met haar radicale keuzes wél de nieuwsgierigheid naar een volgende voorstelling weten te prikkelen.

Ook de studentenroutes maakten benieuwd naar de toekomst en vormden zowaar het hoogtepunt van de week. Alle bedoelingen van het festival leken zich in dit onderdeel te verenigen: de makers waren volstrekt nieuw, hun onderzoek was relevanter dan het eindresultaat, het ontbrak aan enige pretentie en eindelijk was het mogelijk achtergrondinformatie te krijgen. Niet alleen door korte nagesprekjes met de makers, maar ook door een speciaal foldertje waarin meer viel te lezen over hun motivatie en afkomst.

De opvallendste maker in de route was Nick Steur, student aan de Toneelacademie Maastricht, die in Freeze het publiek ademloos liet toekijken naar het stapelen van stenen. Laat dat een les zijn voor alle theatermakers op Festival Cement: wie het zo klein durft te houden, wordt zonder twijfel héél groot.

Festival / Cement / Gezien: 21 t/m 27 februari, diverse locaties in Maastricht

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Theater en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Festival Cement 2011

  1. Nick Steur zegt:

    M’n 1e en beste recentie tot nu toe (laatste alinea) :-)
    Erg benieuwd naar Cement volgend jaar… omdat ik weer niks van anderen heb kunnen zien omdat ik zelf speelde. Hoop dat jullie scherp blijven recenceren!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s