‘Stek’ door 5ekwartier

Podium voor een pauperwijk
Door Lorianne van Gelder

In de kou zitten twee oudere dames op een hoog plateau in een container. Deze bewoners van de Haarlemse Slachthuisbuurt verkopen kaartjes terwijl ze vanaf hun verhoogde platform de straat overzien. Het heeft iets theatraals hoe deze vrouwen op een podium midden in de buurt de kassa bestieren. Al keuvelend als de gepensioneerde muppets Statler en Waldorf bedienen ze de bezoekers met muntjes voor de soep en uitleg over Stek, de voorstelling die in hun buurt speelt.

In de straat is ook buurtcentrum de Hamelink, het startpunt van de voorstelling. Aan vijf tafels met elk een eigen kleur zitten de groepen bezoekers te wachten. Elke groep wordt rondgeleid door een Slachthuisbuurtveteraan. De tocht voert langs vijf voorstellingen in leegstaande panden, rijp voor de sloop, van deze wijk in verval.

Arbeiderswijk

Stek is de grande finale van een groots project in de Haarlemse prachtwijk, een sterk staaltje community theatre. Titia Bouwmeester, oud-Dogtroeper en sinds kort directeur van Festival Karavaan, begon in 2007 met de Verhalenkeuken, een reizende ‘keuken’ waar ze verhalen van Slachthuisbuurtbewoners ontdekte.

Twee jaar lang verzamelde Bouwmeester met haar kunstenaarscollectief 5ekwartier verhalen over de arbeiderswijk die zich tot de jaren negentig ontwikkelde rondom het levendige en arbeidsverschaffende slachthuis. De wijk was sterk verzuild: negentien woningbouwverenigingen bouwden in de jaren twintig voor eigen parochie. Socialisten, katholieken en gereformeerden hadden elk hun eigen sport- of speeltuinvereniging en buurtwinkels. Nu is de buurt vergrijsd en multicultureel. De woningen zijn verpauperd en de politie patrouilleert een extra rondje.

De verhalen uit de buurt kwamen in handen van (muziek)theatermakers en mondden uit in vijf voorstellingen, die nu samen Stek uitmaken. Jaap Houtkamp (74), oud-buurtbewoner en gepensioneerd fabrieksarbeider, leidt een groepje van twintig bezoekers rond. Het is een mix van buurtbewoners, theaterkenners en politici (een raadslid van de SP is present). Houtkamp vertelt graag. Aanvankelijk was hij sceptisch over dit project. ‘Je moet altijd maar afwachten wat er met de verhalen gebeurt.’ Maar, vertelt hij, ‘het is me alles meegevallen.’ Nu vertelt hij trots hoe levendig de buurt vroeger was, waar de bloemenzaak van zijn zwager stond en waarom de huisjes zo klein waren met zulke grote tuinen: ‘Het was crisis, als er echt geen eten meer was konden die arme luitjes in elk geval een moestuintje beginnen.’

Houtkamps geanimeerde verhaal geeft meteen een intieme kijk in de buurt, als een soort inleiding en nagesprek in één. De (oud)buurtbewoners uit het publiek halen met Houtkamp herinneringen op, wijzen naar een grasveldje waar zij hun eerste sigaret rookten en mijmeren over het verleden. Buitenstaanders kijken, observeren, ervaren.

De voorstellingen variëren van muziekperformances tot subtiele mimechoreografieën. De tocht van leegstaand pand naar volgend huis loopt door de hele Slachthuisbuurt. De toeschouwer krijgt ook een rol. Bij Brigitte Defaix is het publiek huizenjager. Defaix vertelt het verhaal van de dochter van de winkelier terwijl ze de bezoekers rondleidt in het lege winkelpand, waar dozen en een oud kasboek vaag herinneren aan een levendig bedrijf. Haar performance is ontroerend, eerlijk en muzikaal. Aan het einde biedt ze een stuk worst aan om de participerende ervaring compleet te maken.

Vleestransporteur

Elke voorstelling van ongeveer twintig minuten probeert het publiek deelgenoot te maken. Je bent op bezoek bij iemand, geen afstandelijke toeschouwer. Bij de ingang van het oude monumentale slachthuis, het hart van de buurt, wordt iedere bezoeker een klein plastic varkentje in de hand gedrukt. ‘Dit is Kees,’ zegt het meisje bij de deur. Onder de vleeshaken en automatische transportkabels vertelt een actrice die zichzelf begeleidt op gitaar het verhaal van vleestransporteur Simon Kossen. Kees moet worden ingeleverd – wat ieder braaf doet – en in een speelgoedvrachtwagen aan de vleeshaak geloosd. Het is onheilspellend en vertederend tegelijk.

Community theatre is er voor de buurt, getuige de naam. Het draagt bij aan cohesie, buurtbewoners leren elkaar kennen en krijgen een nieuwe kijk op hun leefomgeving. Maar een van de veelgehoorde valkuilen van het genre is dat de artistieke kwaliteit inboet ten behoeve van het sociaal-maatschappelijk belang. Titia Bouwmeester ontliep die valkuil en koos voor een artistieke benadering met de buurt als basis en deel van het proces. Professionele kunstenaars maakten uiteindelijk het artistieke eindproduct.

Toch werpt dit gegeven meteen een volgende vraag op: betekent het dat je het resultaat op dezelfde manier kunt beoordelen als een reguliere voorstelling in het theater? De Amerikaanse cultuurwetenschapper Grant Kester onderzoekt sociaal-maatschappelijke kunst en kunstkritiek. Hij herdefinieerde de criteria van kunstkritiek en community theatre. De gangbare methodes besteden nauwelijks aandacht aan de communicatieve interactie, zegt hij, en letten voornamelijk op de esthetische waarde van het kunstwerk, oftewel het eindproduct. Deze manier van beoordelen doet geen recht aan wat Kester ‘dialogical art’ noemt: de kunst die een dialoog aangaat met de toeschouwer. De dialoog is namelijk onderdeel van de voorstelling, niet slechts het napraten na het artistieke product.

Buitenstaander

In het geval van Stek is Kesters benadering gecompliceerd. Wat is de waarde van de voorstelling voor de buitenstaander, de niet-buurtbewoner, als het niet alleen om het eindproduct, onderhoudend locatietheater, gaat? De wandeling tussen voorstellingen voelt als onderdeel van een sociologisch project in een aantrekkelijk jasje gegoten, vermakelijk, maar ook vrijblijvend. Het is als een openluchtmuseum of een toeristische attractie die op een toegankelijke manier een achtergrond verschaft voor de bezochte wijk of stad. Interessant, doch volledig objectiverend als buitenstaander. Ook het buurtcentrum dat onderdeel uitmaakt van het project valt in die categorie. Als niet-buurtbewoner blijf je een outsider.

Moet je dan Kesters benadering achterwege laten en toch alleen naar het eindproduct kijken? Dat werkt ook niet helemaal. Want hoewel de voorstellingen zelf een artistieke waarde hebben, kunnen ze ook niet worden losgezien van het gehele project. Na afloop is er soep van vrijwilligers uit de buurt, de tafels zijn beplakt met foto’s en verhalen van buurtbewoners, het sociale programma is verweven met het artistieke. Daarom is het geheel ook niet als een gemiddelde locatievoorstelling te zien. Alleen al omdat je als toeschouwer deel uitmaakt van een publiek van bewoners en niet-bewoners en daarmee medemaker bent. Het is onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Een eenduidig antwoord is er niet. De relatief nieuwe academische stroming van community theatre heeft er ook nog geen pasklare oplossing voor. Elke benadering werpt weer nieuwe vragen op. De voorstellingen in Stek waren volwaardige, zomerfestivalachtige producties en het sociale project bracht de buurt bij elkaar. Zowel eindproduct als proces waren succesvol. Stek is daarom een ideaal voorbeeld voor wat community theatre kan zijn.

TM maart
Theater: Stek door 5ekwartier
Waar: Slachthuisbuurt Haarlem
Wanneer: 5 februari 2010

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Theater en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s